Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR4324

Datum uitspraak2004-09-29
Datum gepubliceerd2004-10-20
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Maastricht
ZaaknummersAWB 04 / 509 AWBZ
Statusgepubliceerd


Indicatie

I.c. geen rechtsplicht tot betaling eigen bijdrage thuiszorg.


Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT Reg.nr.: AWB 04 / 509 AWBZ UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen A te B, eiser, en de Stichting Ziekenfonds VGZ, gevestigd te Nijmegen, verweerster. Datum bestreden besluit: 18 maart 2004. Kenmerk: ZGA/Walraeven; klantnummer 601330674/Z. Behandeling ter zitting: 15 september 2004. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING. Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 18 maart 2004 heeft verweerster een door eiser ingediend bezwaarschrift van 16 september 2003 tegen een door verweerster genomen besluit van 4 september 2003 ongegrond verklaard. Tegen eerstgenoemd besluit is door eiser beroep ingesteld bij deze rechtbank. De door verweerster ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken zijn in kopie aan eiser gezonden, evenals het door verweerster ingediende verweerschrift. Bij brief van 31 augustus 2004 heeft eiser op voormeld verweerschrift gereageerd. Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 15 september 2004, alwaar eiser in persoon is verschenen. Verweerster heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. H.A.J. van de Laar. II. OVERWEGINGEN. A. De feiten. In de periode 1999 tot en met 2001 is aan eiser en zijn echtgenote thuiszorg verleend in het kader van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Op 11 augustus 2000 is eisers echtgenote overleden. Bij factuur d.d. 4 augustus 2003 heeft het Centraal Administratie Kantoor Bijzondere Zorgkosten b.v. (hierna: het CAK) te Den Haag eiser de eigen bijdrage thuiszorg, geleverd in week 52 van het jaar 2000 en week 1 tot en met 9, 11, 15 tot en met 29, en 32 tot en met 35 van het jaar 2001, vastgesteld en in rekening gebracht. De eigen bijdrage over die perioden bedraagt € 13,61 per week, totaal € 408,40. Bij brief van 12 augustus 2003 heeft eiser bij het CAK tegen voormelde factuur bezwaar gemaakt. Hij acht het ongepast om een rekening te sturen van werkzaamheden die in 2001 zijn verricht. Het CAK verwijst naar de omstandigheden. De schuldvraag ligt echter bij het CAK. Als het CAK hem op tijd had gewaarschuwd, dat er een hogere eigen bijdrage verschuldigd was, dan had eiser de thuiszorg beslist geweigerd. Bij besluit van 4 september 2003 heeft het CAK de vertraging in de facturering van de verleende zorg als volgt toegelicht. Sinds 2001 verifieert het CAK alle persoonsgegevens bij de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA). De GBA heeft in eisers situatie, naast de huidige persoonsgegevens, tevens alle historische gegevens van eisers leefeenheid aan het CAK teruggekoppeld, dus ook de gegevens van overleden personen. Deze gegevens werden vervolgens op beschikkingen en facturen vermeld. Om te voorkomen dat eiser met deze mogelijk pijnlijke gegevens zou worden geconfronteerd, heeft het CAK voor een bepaalde periode het verzenden van facturen aan eisers leefeenheid geblokkeerd. Dit heeft tot vertraging geleid in het verzenden van beschikkingen en facturen. Het CAK biedt daarvoor zijn excuses aan. De regeling eigen bijdrage thuiszorg voorziet niet in de mogelijkheid tot kwijtschelding. Slechts in drie situaties is de eigen bijdrage thuiszorg niet verschuldigd: a. indien de verzekerde of een persoon uit de leefeenheid waartoe de verzekerde behoort een bijdrage ingevolge de artikel 4 of 14 van het Bijdragebesluit zorg verschuldigd is; b. in die gevallen dat het uitvoeringsorgaan op advies van een instelling voor algemeen maatschappelijk werk of de Raad voor de Kinderbescherming van oordeel is, dat het verschuldigd zijn van de bijdrage ertoe leidt dat de zorg niet wordt verstrekt en dit mishandeling, verwaarlozing of ernstige schade voor de opvoeding of ontwikkeling van een minderjarige verzekerde tot gevolg heeft; c. voor advies, instructie en voorlichting. Uit eisers brief blijkt niet dat een van deze situaties voor eisers huishouden van toepassing is. Het CAK kan, aldus verweerster, eiser dus geen vrijstelling van de eigen bijdrage thuiszorg verlenen. Bij brief van 16 september 2003 heeft eiser tegen dat besluit bezwaar gemaakt bij het CAK. Daarbij heeft hij aangevoerd bezwaar te hebben tegen de trage facturering en gelet op zijn inkomen niet in staat te zijn tot betaling van de betreffende factuur. Het CAK heeft met deze late facturering geen rekening gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden. Bovendien is hij niet tijdig op de hoogte gesteld van de verhoging van de eigen bijdrage thuiszorg. Eiser zou de thuiszorg hebben beëindigd, indien hij van deze wijziging tijdig op de hoogte zou zijn gesteld. Daarom wil eiser de factuur niet betalen. Het CAK heeft de Centrale Adviescommissie Eigen Bijdrage Thuiszorg (hierna: de Commissie) verzocht ter zake advies uit te brengen. Op 27 februari 2004 heeft de Commissie dit advies uitgebracht. De Commissie heeft daarin gesteld, dat het bezwaar van eiser als een verzoek om kwijtschelding moet worden beschouwen. Uit de stukken leidt de Commissie af, dat de in artikel 16d, zevende lid (vanaf 2003: zesde lid), van het Bijdragebesluit zorg genoemde uitzonderingen zich niet voordoen in eisers situatie, zodat de Commissie geen aanleiding ziet om te adviseren tot kwijtschelding. De Commissie constateert dat er tussen de datum van verzending van de factuur van 4 augustus 2003 en de aanvang van de periode waarop deze factuur betrekking heeft een periode van 31 maanden ligt. Er is dan ook sprake van zeer trage facturering. Ook het uitblijven van (tijdige) berichtgeving omtrent de wijziging in de hoogte van de eigen bijdrage acht de Commissie, mede gelet op de door eiser genoemde omstandigheden, betreurenswaardig. De Commissie is van oordeel dat eiser in ieder geval tussentijds had moeten worden geïnformeerd over de vertraging bij de vaststelling en inning van de eigen bijdrage. Niettemin kunnen deze omstandigheden, hoe betreurenswaardig ook, er niet toe leiden dat regelgeving als genoemd buiten toepassing wordt gelaten. De Commissie wijst erop, dat eiser blijkens informatie van het CAK ook in 2000 reeds facturen voor de eigen bijdrage thuiszorg ontving en derhalve ermee bekend was dat voor thuiszorg een eigen bijdrage is verschuldigd (Rechtbank Dordrecht AWB 98/277). De Commissie ziet dan ook geen gronden te adviseren tot kwijtschelding van het met genoemde factuur in rekening gebrachte bedrag. De Commissie adviseert dan ook het bezwaar ongegrond te verklaren. Eiser is door de Commissie in de gelegenheid gesteld om op het bezwaar te worden gehoord. Hij heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. B. Het besluit. Overeenkomstig het advies d.d. 27 februari 2004 van de Commissie heeft verweerster bij het bestreden besluit het bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard. C. Het beroep. Eiser kan zich met voormeld standpunt van verweerster niet verenigen. Daartoe heeft hij aangevoerd, dat hij de afrekening d.d. 4 augustus 2003 heeft ontvangen 36 maanden na het overlijden van zijn vrouw. Eiser geniet uitsluitend een AOW-pensioen. De eigen bijdrage die eiser en zijn echtgenote moesten betalen werd elke maand met een machtiging aan het CAK betaald. Door toetsing van hun belastingaangifte is het bedrag vastgesteld. Op 11 augustus 2000 is eisers echtgenote overleden. De zorginstelling Domicura heeft eiser toen meegedeeld, dat de thuiszorg mocht doorlopen zolang als eiser dit wenste. Eiser heeft vervolgens deze bijzondere bijstand gekregen, zowel geestelijk als lichamelijk. Men heeft eiser nimmer bericht, dat deze bijstand hem wel eens heel veel zou gaan kosten bij de afrekening. Aan een late afrekening heeft hij nooit meer gedacht. Eiser is dan ook van mening dat de betaling van € 408,40 ongedaan moet worden gemaakt. Men vindt het kennelijk heel normaal om geen verontschuldigingen aan te bieden voor het late toezenden van de betreffende factuur, 31 maanden na de werkzaamheden, hetgeen niet normaal is in het normale handelsverkeer. D. Het verweer. In het verweerschrift heeft verweerster naar voren gebracht, dat de reden voor de late toezending van de factuur gelegen was in het voor een bepaalde tijd blokkeren van het zenden van facturen in verband met het overlijden van eisers echtgenote. Dit heeft (helaas en onbedoeld) geleid tot een aanzienlijke vertraging in de facturering. Het Bijdragebesluit Zorg voorziet niet in de mogelijkheid tot kwijtschelding wegens een late facturering. Slechts in een drietal situatie is de eigen bijdrage thuiszorg niet verschuldigd. Deze situaties zijn in casu niet van toepassing. Eiser wist en kon weten dat er een eigen bijdrage verschuldigd is voor het hebben van thuiszorg, ook na het overlijden van zijn vrouw. Eiser heeft reeds in het jaar 2000 gebruik gemaakt van thuiszorg. De facturen over de eigen bijdrage in het jaar 2000 heeft eiser reeds in het jaar 2000 en in het begin van 2001 ontvangen en betaald. Uit het beroepschrift blijkt dat eiser heel goed op de hoogte was van het feit dat hij ook een eigen bijdrage verschuldigd zou zijn voor de na het overlijden van zijn vrouw ingeroepen thuiszorg. De wettelijke termijn voor het instellen van een vordering bedraagt vijf jaar (artikel 3:307 Burgerlijk Wetboek). Late facturering maakt niet dat dit tot kwijtschelding van het verschuldigde bedrag leidt (Rechtbank Dordrecht AWB 98/277). Recentelijk zijn in de media berichten verschenen omtrent mogelijke kwijtschelding van oude facturen betreffende de eigen bijdrage thuiszorg. Navraag bij het CAK en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport leerde dat een en ander nog niet definitief is en dat ook de precieze inhoud van het voornemen van staatssecretaris Ross van Volksgezondheid, Welzijn en Sport nog nader uitgewerkt wordt. Wat op dit moment (onder voorbehoud) wel bekend is, is dat het uiteindelijk gelet op de stringente voorwaarden een zeer beperkte groep van verzekerden zal betreffen. Uitgangspunt is en blijft dat tot vijf jaar nadat iets is geleverd nog een rekening gestuurd mag worden. Kwijtschelding zou alleen dan aan de orde zijn, indien er sprake is van het niet beschikbaar komen van inkomensgegevens via een gemeentelijke basisadministratie waardoor bij het CAK facturen blijven liggen. Wanneer de rekeningen in een dergelijk geval na een jaar nog niet zijn verzonden vervalt de eigen bijdrage. Het CAK heeft overigens aangegeven, na implementatie van een en ander, in voorkomende gevallen tot kwijtschelding over te gaan. De gevallen die het betreft zullen hierover zo spoedig mogelijk geïnformeerd worden. In casu is van een dergelijke situatie geen sprake. De reden van de late facturering is in het onderhavige geval niet gelegen in het niet beschikbaar komen van inkomensgegevens via een gemeentelijke basisadministratie. In de situatie van eiser heeft de gemeentelijke basisadministratie alle relevante gegevens aan het CAK doorgegeven. Ook uit het gegeven dat eiser reeds eerder (voor de periode nu in geschil) is geconfronteerd met nota’s van thuiszorg blijkt dat de gegevens door de gemeentelijke basisadministratie zijn doorgegeven. Zonder deze gegevens kan immers geen factuur opgemaakt worden. E. Het vervolg. Bij brief van 31 augustus 2004 heeft eiser de rechtbank erop gewezen, dat in de pers berichten zijn verschenen over de kwijtschelding van de eigen bijdrage thuiszorg over de jaren 1999, 2000 en 2001. De staatssecretaris Ross-van Dorp zou hebben besloten de nog openstaande bedragen over die jaren niet meer in rekening te brengen. De reden voor de ommezwaai is dat mensen die tussen 1999 en 2001 hadden moeten betalen daar destijds geen officieel bericht over hebben gekregen. Daarnaast is een groot aantal van hen inmiddels overleden, aldus de staatssecretaris. F. De beoordeling. De rechtbank dient in dit geding te beoordelen, of het bestreden besluit in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende. Ingevolge artikel 6, derde lid, van de AWBZ kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur als voorwaarde voor het verkrijgen van een verstrekking worden gesteld dat de verzekerde bijdraagt in de kosten daarvan: de bijdrage kan verschillen naar gelang de groep waartoe de verzekerde behoort en de zorg en voorzieningen die verstrekt worden en mede afhankelijk gesteld worden van het inkomen van de verzekerde en diens echtgenoot. In het Bijdragebesluit zorg is de regelgeving inzake de eigen bijdrage thuiszorg nader uitgewerkt. Ingevolge artikel 16d, zesde lid, van dit Besluit, zoals dit besluit luidde ten tijde van het nemen van het besluit, is de bijdrage niet verschuldigd: a. indien de verzekerde of een persoon uit de leefeenheid waartoe de verzekerde behoort een bijdrage ingevolge de artikelen 4 of 14 verschuldigd is; b. in die gevallen dat het uitvoeringsorgaan, op advies van een instelling voor algemeen maatschappelijk werk of de Raad voor de kinderbescherming, van oordeel is dat het verschuldigd zijn van de bijdrage ertoe leidt dat de zorg niet wordt verstrekt en dit mishandeling, verwaarlozing of ernstige schade voor de opvoeding of ontwikkeling van een minderjarige verzekerde tot gevolg heeft; c. voor advies, instructie en voorlichting door een aan een instelling verbonden gespecialiseerde verpleegkundige. Naar het oordeel van de rechtbank doen de in artikel 16d, zesde lid, van het Besluit genoemde omstandigheden zich in het geval van eiser niet voor. Het onderhavig geding spitst zich toe op de vraag of verweerster eiser kwijtschelding had moeten verlenen van de hem in rekening gebrachte eigen bijdrage over week 52 van het jaar 2000 en week 1 tot en met 9, 11, 15 tot en met 29, en 32 tot en met 35 van het jaar 2001 vanwege te trage facturering, namelijk bij factuur d.d. 4 augustus 2003. Eiser heeft immers in beroep niet betwist dat hij een eigen bijdrage verschuldigd is noch de hoogte van de eigen bijdrage bestreden. De rechtbank overweegt dienaangaande dat er bijzondere gevallen denkbaar zijn waarin de strikte toepassing van wettelijke voorschriften van dwingendrechtelijke aard in die mate in strijd komt met het ongeschreven recht dat zij op grond daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn (RSV 2001/280). De rechtbank is van oordeel, dat zich in het onderhavige geval zodanige bijzondere omstandigheden voordoen. Gelet op de navolgende zeer bijzondere in hun onderlinge samenhang in aanmerking te nemen feiten en omstandigheden, had verweerster na afweging van de betrokken belangen in het onderhavige geval niet in redelijkheid kunnen besluiten tot het onverkort opleggen aan eiser van de verschuldigde eigen bijdrage voor verleende zorg, waarvan eiser niet wist en in zijn situatie ook niet redelijkerwijs behoefde te weten dat deze bijdrageplichtige zorg betrof. In dit verband acht de rechtbank met name van belang, dat eiser er vooraf niet van in kennis is gesteld dat hij een eigen bijdrage verschuldigd was over de periode na december 2000. Eiser genoot na het overlijden van zijn echtgenote in het jaar 2000 naar zijn zeggen een lager inkomen, waardoor hij in de veronderstelling verkeerde dat hij vanaf 2001 niets meer behoefde te betalen. Voorts heeft eiser ter zitting een folder van het CAK overgelegd, waarin wordt meegedeeld, dat de hoogte van de maximale weekbijdrage vanaf 2001 wordt kenbaar gemaakt in een beschikking, bij welke beschikking een toelichting is gevoegd, waarin staat aangegeven hoe men bezwaar kan maken. De rechtbank heeft in het dossier geen beschikking aangetroffen, waarbij eiser op de hoogte werd gesteld van (de hoogte van) de door hem vanaf januari 2001 verschuldigde eigen bijdrage. Eiser heeft ter zitting verklaard nimmer een beschikking te hebben ontvangen, zodat het ervoor moet worden gehouden dat hem geen beschikking is gestuurd. Naar het oordeel van de rechtbank kan de aan eiser verzonden factuur d.d. 4 augustus 2003 niet als een dergelijke beschikking worden aangemerkt. Geconcludeerd moet dan ook worden, dat er geen beschikking ten grondslag is gelegd aan de factuur van 4 augustus 2003. Het is de rechtbank aannemelijk geworden dat eiser niet voor de hem verleende zorg zou hebben gekozen, indien hij tijdig in kennis zou zijn gesteld van de verschuldigde eigen bijdrage. Verweerster – dan wel het CAK – heeft, gelet op het voorgaande, zeker ten tijde hier in het geding niet het redelijkerwijs mogelijke gedaan om te verzekeren dat betrokkenen tijdig, juist, volledig en begrijpelijk werden geïnformeerd over de financiële consequenties van de verleende zorg. In dit kader wijst de rechtbank er nog op, dat de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op 18 augustus 2004 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer heeft laten weten, dat zij heeft besloten om éénmalig de eigen bijdrage niet meer op te leggen over de jaren 1999 tot en met 2001. De belangrijkste redenen om eigen bijdragen thuiszorg over 1999 tot en met 2001 niet meer op te leggen zijn de volgende. De inningsprocedure verliep in die jaren voor een belangrijk deel anders dan de huidige inningsprocedure; cliënten ontvingen geen formele kennisgeving over het verschuldigd zijn van een eigen bijdrage en voor hen kan een (voorlopige) beschikking en factuur onverwacht komen. Bovendien bedraagt het aantal cliënten dat inmiddels is overleden enkele tientallen procenten, waardoor de resterende opbrengst van de eigen bijdrage beperkt is, aldus de Staatssecretaris. De rechtbank overweegt, dat ook eiser geen formele kennisgeving heeft ontvangen over het verschuldigd zijn van een eigen bijdrage, zodat ook voor hem de factuur, zeker na zo’n lange tijd, onverwacht is gekomen. De rechtbank komt dan ook tot de slotsom, dat het beroep gegrond moet worden verklaard onder vernietiging van het bestreden besluit, nu dit in strijd moet worden geacht met het bepaalde in artikel 3:4, eerste lid, van de Awb, dat voorschrijft dat het bestuursorgaan de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen afweegt, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit. Op grond van de artikelen 8:70, 8:72 en 8:74 van de Awb wordt als volgt beslist. III. BESLISSING. De rechtbank Maastricht: 1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit; 2. draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser; 3. bepaalt dat aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 37,-- wordt vergoed door de Stichting Ziekenfonds VGZ. Aldus gedaan door mr. J.F.W. Huinen in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Kavelaars als griffier en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2004 door mr. Huinen voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier. w.g. C. Kavelaars w.g. J. Huinen Voor eensluidend afschrift, de griffier, Verzonden: 29 september 2004 Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak. Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.